Wat als nieuw de uitzondering werd?

In Brussel groeit de deel- en samenwerkingseconomie, gedragen door lokale burgerinitiatieven en overheidsbeleid dat onze milieu-impact wil beperken. Maar wat houdt deze aanpak precies in? Wat zijn de uitdagingen en obstakels? Cécile Riffont, van de dienst Grondstoffen & Afval, en Pietro Fragapane, van de afdeling Transitie-economie bij Leefmilieu Brussel, geven ons meer inzicht in dit model.

(c) Bryapro

Waaruit bestaat de deel- en samenwerkingseconomie?

Pietro Fragapane. De deel- en samenwerkings-economie berust op één eenvoudig principe: het zoveel mogelijk beperken van het winnen van nieuwe grondstoffen en het optimaal benutten van grondstoffen die al in omloop zijn. Concreet betekent dit dat we delen, repareren en hergebruiken verkiezen boven de lineaire consumptie (produceren, consumeren, weggooien). Initiatieven binnen deze samenwerkings-economie steunen op drie belangrijke pijlers:

  • De hulpbron: Dit is het goed of de dienst die men wil delen, of het nu gaat om een object, een ruimte, een vaardigheid of een dienst.
  • De gemeenschap: Er is altijd een groep actoren die zich rond deze hulpbron mobiliseert met een gemeenschappelijk doel.
  • Het beleid: Dit omvat alle regels die de gemeenschap opstelt om toegang, gebruik en delen te organiseren en zo een goede werking te garanderen.

Deze dynamiek is onontbeerlijk in Brussel, omdat de stad te maken heeft met belangrijke uitdagingen op het vlak van grondstoffenbeheer, afval en consumptie. Vandaag zijn er al meer dan 1.500 vrijwilligers en 440 medewerkers actief in deze samenwerkingsinitiatieven, die ook werkgelegenheid creëren (227 voltijdse werknemers). Ongeveer 49% van de financiering komt uit overheidssteun, terwijl andere projecten een gemengd model hanteren van abonnementen en zelffinanciering[1].

Welke concrete initiatieven zijn er momenteel in het Brussels Gewest?

Cécile Riffont. In Brussel zijn tal van innovatieve initiatieven die voor iedereen voordelig zijn. Enkele voorbeelden zijn: Tournevie, een uitleenbibliotheek voor doe-het-zelfgereedschap, waar je kunt lenen in plaats van kopen; babytheek: 9 locaties in Brussel waar ouders babyspullen (zoals flesverwarmers, autostoeltjes, reisbedjes, enz.) kunnen huren in plaats van te kopen; fietsbibliotheken: in elf wijken kunnen gezinnen kinderfietsen lenen die geschikt zijn voor elke leeftijd. In het buitenland bestaan er ook andere modellen, zoals een uitleenbibliotheek voor sportuitrusting of lockers op drukbezochte plaatsen (winkelcentra, metrostations …) waar je gehuurd materiaal – zoals stoomreinigers of boormachines – kunt ophalen. Deze initiatieven tonen aan dat het mogelijk is om verantwoord te consumeren zonder dat we inboeten aan comfort of toegang tot de spullen die we nodig hebben.

Wat zijn de grootste uitdagingen om deze praktijken op grotere schaal te ontwikkelen?

Pietro Fragapane. Op het gebied van mobiliteit hebben veel projecten een breed publiek weten te overtuigen en ze zijn sterk gegroeid (Cambio, Villo, enz.). Maar voor andere initiatieven, hoe veelbelovend ook, verhinderen verschillende obstakels nog steeds een grootschalige uitrol. Ten eerste de prijsgevoeligheid: de prijs voor huren of lenen mag niet te hoog zijn, want hij moet concurreren met de lage prijzen van instapmodellen op de markt. Dat bemoeilijkt het vermogen van de organisaties om al hun kosten te dekken en bedreigt hun financiële leefbaarheid. Die hogere kosten kunnen gecompenseerd worden door een groter volume aan activiteiten, maar dat vraagt tijd en aanzienlijke investeringen, die vaak lastig te vinden zijn voor projectdragers uit het maatschappelijk middenveld. Daarnaast moet er gewerkt worden aan de optimale geografische spreiding: het is een uitdaging om deze diensten aan te passen aan de noden van de bewoners en hun bereikbaarheid te waarborgen. Ten slotte vormt de afhankelijkheid van vrijwilligers nog steeds een belemmering voor de levensvatbaarheid van sommige projecten.

Hoe ziet de langetermijnvisie eruit voor de deel- en samenwerkingseconomie in Brussel?

Cécile Riffont en Pietro Fragapane. Ideaal gezien leven we in een stad waar elke burger eenvoudig toegang heeft tot diensten die delen, huren en repareren mogelijk maken, en waar nieuwe aankopen de uitzondering in plaats van de regel worden. Het uiteindelijke doel is dat de deel- en samenwerkings-economie volledig geïntegreerd raakt in het dagelijkse leven van de Brusselaars. Dat vereist sterk overheidsbeleid, aangepaste infrastructuren en een collectieve inzet. De deel- en samenwerkings-economie is geen beperking, maar juist een kans om onze manier van samenleven op een meer duurzame en solidaire manier te herdenken.

[1] Voor meer informatie: lees de Participatieve studie over de Brusselse gemeenten (2023).